In 2010 stelde de rijksoverheid zich tot doel de overlast, criminaliteit, schooluitval en werkloosheid onder Marokkaans-Nederlandse jongeren te verminderen. Om dat te realiseren, sloegen het Rijk, de VNG en 22 gemeenten waar veel overlastgevende en criminele Marokkaans-Nederlandse jongeren wonen, de handen ineen. Onder de noemer ‘Grenzen stellen en perspectief bieden’ zijn in de periode 2009-2012 extra capaciteit en middelen vrijgemaakt, met als doel problemen onder Marokkaans-Nederlandse jongeren te verminderen. In 2012 is het samenwerkingsverband, en daarmee ook de extra capaciteit en middelen, beëindigd.
Hoe gaat het nu met Marokkaanse, maar ook Antilliaanse, jongeren?
Er is nog steeds spake van hardnekkige problematiek bij allochtone jongeren, blijkt uit een onderzoek naar de positie van Marokkaans-Nederlandse en Antilliaans-Nederlandse jongeren in 2012. Net als tijdens de nulmeting in 2009 waren deze jongeren in 2012 nog altijd oververtegenwoordigd in de groepen voortijdig schoolverlaters, werkzoekenden, uitkeringsontvangers, verdachten van een misdrijf en jongeren die in aanraking kwamen met de politie.
Bij Marokkaans-Nederlandse jongeren lijkt de problematiek iets minder hardnekkig. Wel waren zij in 2012 vaker verdachte van een misdrijf dan Antilliaans-Nederlandse jongeren. Een relatief hoog aandeel van de verdachte jongeren uit beide groepen was in 2012 meerpleger of veelpleger.
In 2012 waren Marokkaans-Nederlandse jongeren iets minder vaak verdachten dan in 2009. Jongeren van Marokkaanse herkomst zijn het sterkst vertegenwoordigd onder de aangehouden minderjarige allochtone verdachten, stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vast. In 2010 waren 72 van elke duizend jongeren met een Marokkaanse herkomst als verdachte aangehouden. Vijf jaar eerder was dit aantal nog negentig per duizend. Dat betekent dat de problemen in de periode tussen 2005 en 2010 afnamen. In het bijzonder jongens tussen de vijftien en zeventien jaar zorgen voor een oververtegenwoordiging van Marokkaanse jongeren in de verdachtenpopulatie.
—
Een relatief hoog aandeel van de verdachte Marokkaanse en Antilliaanse jongeren is meerpleger of veelpleger en gaat dus regelmatig opnieuw in de fout. Overigens is recidive onder alle criminele jongeren hoog: 80 procent vervalt in oud gedrag. Elk jaar keren 2.500 jongeren uit een jeugdinrichting terug naar hun gemeente van herkomst. Bij hun terugkeer in de maatschappij ondervinden zij verschillende hindernissen, waardoor de kans toeneemt dat zij recidiveren. Vervolghulp en zorg aan jeugdigen die uitstromen uit een Justitiële Jeugdinrichting is dan ook essentieel. Met deze informatie in het achterhoofd ontwikkelde het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid de matrix Nazorg. De matrix biedt een overzicht van de rollen, taken en verantwoordelijkheden die de verschillende partners in het nazorgtraject hebben.
—
Bij allochtone jongeren treden gunstige en ongunstige ontwikkelingen naast elkaar op. Vooral op het gebied van onderwijs zijn er positieve ontwikkelingen zichtbaar. In 2012 volgden meer Marokkaans-Nederlandse jongeren van twaalf tot en met tweeëntwintig jaar voortgezet onderwijs ten opzichte van 2009. Het aandeel jongeren van achttien tot vijfentwintig jaar dat over een startkwalificatie beschikt, nam tussen 2001 en 2011 vooral onder jongeren van niet-westers allochtone herkomst toe.
Naast een stijgend opleidingsniveau onder migranten signaleert het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) ook ongunstige ontwikkelingen, bijvoorbeeld het hoge werkeloosheidspercentage en de stijgende uitkeringsafhankelijkheid onder niet-westerse migranten.
Cijfers van het CBS bevestigen deze trend. De werkloosheid onder migrantenjongeren is twee tot drie maal hoger dan de werkloosheid onder autochtone jongeren. In de periode tussen 2008 en 2011steeg de werkloosheid onder niet-westerse werklozen elk jaar: van vijftien procent in 2007 naar 23 procent in 2011. Vooral de werkloosheid onder Antilianen steeg in 2011 sterk ten opzichte van het jaar ervoor. Tussen 1997 en 2007 verbeterde hun positie op de arbeidsmarkt van migrantenjongeren sterk .
In de 22 gemeenten van het 'Samenwerkingsverband aanpak Marokkaans-Nederlandse risicojongeren' nam Jongerenoverlast in 2011/2012 af ten opzichte van 2009/2010. Dat blijkt uit onderzoek naar de ontwikkeling van jeugdoverlast in deze gemeenten. Ook is er minder ernstige overlast.
Deze trend tekent zich ook, alhoewel in mindere mate, af bij jeugdgroepen die voor het merendeel bestaan uit Marokkaans-Nederlandse risicojongeren.
Dat de jongerenoverlast afneemt, blijkt uit een afname van het aantal hinderlijke, overlastgevende en criminele groepen tussen 2009-2011. Bij groepen die voor minstens de helft uit jongeren met een Marokkaans-Nederlandse achtergrond bestaan, is deze afname wel minder sterk. Opvallend is dat in 2011/2012 meer (vooral Marokkaanse) jongeren bekend zijn bij de hulpverlening dan de jaren ervoor. Marokkaans-Nederlandse jongeren lijken ook meer problemen te hebben dan andere jongeren.
Ruim de helft van het deskundigenpanel onderkent dat jeugdoverlast in de 22 gemeenten ook onder jeugdgroepen afnam die voor het merendeel bestaan uit Marokkaans-Nederlandse risicojongeren. Volgens een aantal deskundigen is de daling van overlast een gevolg van een verbeterde integratie onder allochtone jongeren. Wel wijzen sommige panelleden erop dat minder overlast niet betekent dat ook (zware) criminaliteit onder allochtone jongeren daalt.
“De integratie van allochtone jongeren gaat steeds beter en er komen weinig probleemjongeren bij. Allochtonen van de tweede generatie veroorzaken veel meer problemen dan die van de derde generatie.’’ – Toon van der Heijden, OM Parket Generaal
Bijna alle 22 gemeenten uit het 'Samenwerkingsverband aanpak Marokkaans-Nederlandse risicojongeren' concentreerden zich vooral op de thema’s ‘overlast’ en ‘criminaliteit’. Zij ontwikkelden een groepsaanpak , organiseerden casusoverleg en zetten toezichthouders (zoals straatcoaches) in. Minder prioriteit bij gemeenten hadden de thema’s ‘school’ en ‘werk’.
In 2012 zijn in Amsterdam enkele Marokkaans-Nederlandse jeugddelinquenten gekoppeld aan een rolmodel van dezelfde afkomst. In een pilotproject werkten het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Kinderbescherming met elkaar samen. Het project geeft aanleiding tot voorzichtig enthousiasme. Zowel de jeugddelinquent als het rolmodel namen deel op vrijwillige basis. Onder rolmodellen bestond verbazend veel animo om mee te werken. Deze ‘buddies’ moesten bereid zijn in een periode van een maand eens per week een gezamenlijke activiteit met de jongere te ondernemen. Gezamenlijk bezochten zij bijvoorbeeld een rechtbank of een museum. Het penbaar Ministerie overweegt het project in de toekomst op bredere schaal onderdeel te maken van de werkwijze.
Aanwezigen op een VNG-themasessie pleitten voor een andere aanpak van Marokkaans-Nederlandse jongeren. Gemeenten moeten kiezen voor een meer cultuursensitieve benadering in plaats van een cultuurspecifieke aanpak. De cultuurspecifieke aanpak baseert zich op de gedachte dat kenmerkende aspecten uit de Marokkaanse cultuur van ouders en overlastgevende jongeren samenhangen met overlastgevend gedrag van deze jongeren. Bij een cultuursensitieve benadering staat de cultuur niet centraal in de aanpak van Marokkaans-Nederlandse jongeren, maar is hiervoor wel aandacht bij de uitvoering ervan. Evidence-based interventies moeten daarbij het uitgangspunt zijn.
Onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar de kosten en baten van preventie en repressie sluit hierbij aan.
Om echt kosteneffectief te kunnen zijn, moet een interventie allereerst bewezen effectief zijn. Sensitiviteit voor cultuur is daarbij een belangrijke voorwaarde. Ook blijken interventies gericht op een etnisch homogene groep vier maal zo effectief als interventies gericht op een gemengde groep. Verder blijkt dat preventieve interventies voor risicojongeren lonen in vergelijking met interventies die zich richten op de bredere jeugd.
Bij de aanpak van Marokkaanse risicojongeren staan jongens meestal vol in de schijnwerpers. Natuurlijk bestaat ook een aanzienlijk deel van de Marokkaanse jongeren uit meisjes. Tijdens een themasessie van het 'Samenwerkingsverband aanpak Marokkaans-Nederlandse risicojongeren' bleek dat over Marokkaanse meisjes een positiever beeld bestaat. Zij doen hun best op school en veroorzaken weinig problemen. Trees Pels, bijzonder hoogleraar ‘Opvoeden in de multi-etnische stad’ aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, signaleert echter dat gedragsproblemen bij Marokkaanse meiden toenemen. Deze uiten zich vaak in de vorm van risicogedrag en criminaliteit.
Moeten gemeenten voor de positieve en evenwichtige ontwikkeling van Marokkaanse meiden specifiek beleid voor deze groep ontwikkelen?