Mensenhandel vormt, na drugshandel, de tweede bron van inkomsten voor criminele organisaties. Binnen de Europese Unie gaan er jaarlijks tientallen miljoenen euro’s om in mensenhandel. De huidige economische situatie maakt slachtoffers nog kwetsbaarder. De Europese Commissie dringt bij de lidstaten aan op een meer samenhangend optreden tegen mensenhandel.
De Nederlandse aanpak van mensenhandel kan als voorbeeld dienen voor andere landen in de Europese Unie. Dit stelt de vicepresident van Eurojust, de organisatie voor gerechtelijke autoriteiten in de EU-landen. De Nederlandse aanpak, waarbij criminele winsten in beslag worden genomen, kan model staan voor de aanpak van andere lidstaten.
Arbeidsuitbuiting is een van de verschijningsvormen van mensenhandel. Dat deze vorm ook in Nederland een serieus probleem is, blijkt uit een rapport van stichting Fairwork. Nederlandse instanties hebben slechts een bijzonder klein deel van deze slachtoffers in beeld. Volgens Fairwork werken slachtoffers onder mensonterende omstandigheden en maken zij vaak extreem lange dagen voor weinig geld.
De aanpak van mensenhandel heeft in Nederland hoge prioriteit. In het regeerakkoord is opgenomen dat mensenhandel en de daaraan gerelateerde prostitutie harder worden bestreden. Vanaf 2013 pakt de Inspectie SZW bedrijven en burgers die regels op het gebied van arbeid en sociale wetgeving overtreden, harder aan.
>>TrendsCoMensha, het Coördinatiecentrum Mensenhandel, kreeg in 2011 bijna een kwart meer meldingen van (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel dan in 2010. Ook in 2010 was al sprake van tien procent meer meldingen. De vraag bij CoMensha naar een opvangplek steeg in 2011 met bijna 25 procent vergeleken met het jaar ervoor.
Uit de meldingen bij CoMensha blijkt dat de meeste slachtoffers van mensenhandel nog steeds voorkomen in de prostitutie. Het aantal (mogelijke) slachtoffers van economische uitbuiting neemt toe. In de land- en tuinbouw verdubbelde het aantal meldingen van (mogelijke) slachtoffers in 2011 ten opzichte van 2010.
De precieze omvang van het aantal slachtoffers van mensenhandel is moeilijk te bepalen. Mensenhandel blijft regelmatig buiten de radar van organisaties en weinig slachtoffers doen aangifte. Toenemende aandacht bij instanties zoals politie en gemeenten daarnaast zorgen voor meer meldingen.
Het gestegen aantal aangiften leidt niet tot meer veroordelingen van verdachten van mensenhandel. Het is nog steeds moeilijk om tot veroordelingen voor mensenhandel te komen. Het aandeel vrijspraken blijft hoog, en vrijheidsstraffen van meer dan vier jaar legt de rechter nauwelijks op. Dat blijkt uit het rapport over de vervolging en berechting van verdachten van mensenhandel van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen.De rechter doet jaarlijks gemiddeld bijna 130 mensenhandelzaken af in eerste aanleg (daartegen is nog hoger beroep mogelijk). Slechts 58 procent van deze zaken resulteert in een veroordeling (mede) voor mensenhandel. Het aandeel zaken dat resulteert in een veroordeling (mede) voor mensenhandel daalde in de periode 2006-2009 jaarlijks: in totaal met twintig procent. In 2010 kwam aan deze afname een eind. Een oorzaak voor de uiteenlopende straftoemeting van rechters is de beperkte beschikbaarheid van jurisprudentie voor het delict mensenhandel. Mensenhandelzaken zijn complexe zaken, waarin meerdere juridische valkuilen zitten.
Ook uit ander onderzoek van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel blijkt dat eenduidigheid bij rechters ontbreekt. Bij mensenhandelzaken zijn er verschillen zichtbaar in de toepassing van het wetsartikel, de strafoplegging en de schadevergoeding die de rechter toekent aan slachtoffers. Mede naar aanleiding van dit rapport besloten rechtbanken in 2012 dat het anders moet. Per 1 januari 2013 specialiseert een aantal rechters in Nederland zich in mensenhandelzaken.
Er zijn in Nederland steeds meer massagesalons. In Amsterdam nam het aantal salons bijvoorbeeld toe van negen in 2002 naar 336 in 2012. Vooral het aantal Chinese massagesalons steeg. Uit onderzoek blijkt dat in meer dan de helft van de Chinese beautysalons seksuele handelingen worden verricht.
Voor zover bekend heeft geen enkele beautysalon een exploitatievergunning voor een seksinrichting. De onderzoekers kunnen niet concluderen dat er in algemene zin sprake is van mensenhandel in de Chinese beautybranche. Voor zowel de eigenaars van de salons, de Chinese masseuses als de klanten is de ‘happy ending’ geen seks, maar soms onderdeel van de reguliere massage. Met name de illegaal in Nederland verblijvende masseuses die schulden hebben (als gevolg van het smokkelproces), de taal niet spreken en niet kunnen terugvallen op sociale netwerken voor werk en huisvesting, zijn kwetsbaar voor (seksuele) uitbuiting. Ook bevinden zij zich vaak in een positie waarin zij zich gedwongen voelen slechte arbeidsomstandigheden te accepteren.
Eenzelfde beeld kwam naar voren uit handhavingsacties in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Na deze acties constateerde de politie dat in meer dan de helft van de salons biologisch materiaal was aangetroffen dat kon duiden op seksuele dienstverlening.
Bij loverboys is seksuele uitbuiting een stuk duidelijker. Het begrip loverboy raakte in Nederland medio jaren negentig in zwang na een aantal geruchtmakende strafzaken. Een nieuwe ontwikkeling is de opkomst van ‘lovergirls’. Onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut concludeert dat bij deze lovergirls slachtofferschap soms overloopt in daderschap.Loverboys zetten deze (minderjarige) meisjes in om andere meisjes te ronselen voor de prostitutie. Het is niet goed mogelijk de precieze omvang te bepalen van het aantal slachtoffers van loverboys dat is ondergebracht in de jeugdzorg of vrouwenopvang. Oorzaak daarvan is het verborgen en ongrijpbare karakter van de werkwijze van loverboys. Ook de afwezigheid van een eenduidige registratie van de loverboyproblematiek in instellingen voor hulpverlening speelt een rol. Het Verwey-Jonker Instituut komt wel tot de conclusie dat de groep slachtoffers niet zo omvangrijk is als de berichtgeving in de media misschien doet vermoeden.
>>AanpakkenHet barrièremodel wordt sinds enige tijd gepromoot als methode om seksuele uitbuiting en mensenhandel tegen te gaan. Deze aanpak moet het mensenhandelaren zo moeilijk mogelijk maken hun criminele activiteiten uit te voeren. Dat gebeurt door barrières op te werpen, wanneer criminelen gebruik moeten maken van legale structuren (bijvoorbeeld om vergunningen en identiteitspapieren te verkrijgen). De aanpak, ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie, kan op steeds meer belangstelling van andere organisaties en steden rekenen.
Bij het Rijk staat een hardere aanpak van mensenhandel hoog op de agenda. In een actieplan staat het Rijk voor een rijksbrede aanpak van mensenhandel met daarin maatregelen voor de periode 2011-2014.In deze rijksbrede aanpak heeft niet alleen het ministerie van Veiligheid en Justitie een rol bij het terugdringen van het gecompliceerde fenomeen. Ook het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is verantwoordelijk voor de aanpak. Het actieplan gaat uit van preventie, vervolging en bescherming. Een van de maatregelen uit het actieplan betreft de verhoging van de strafmaat voor loverboys: er is een wetsvoorstel om de maximale straf voor mensenhandel te verhogen van acht naar twaalf jaar.
—
In het kader van de rijksbrede aanpak publiceerde het CCV in 2012 de Handreiking Aanpak Loverboyproblematiek. De handreiking beschrijft stapsgewijs hoe partijen gezamenlijk een raamwerk kunnen opzetten voor een daadkrachtige ketenaanpak. Betrokken partijen zoals (jeugd)zorg, onderwijsinstellingen, gemeenten en politiekorpsen geven zo op lokaal en regionaal niveau vorm aan de rijksbrede aanpak.
Bij de ketenaanpak loverboyproblematiek moet aandacht uitgaan naar bewustwording en preventie, signalering en melding en het plegen van interventies en nazorg.
De handreiking bevat ook achtergronden over de werkwijze van loverboys, de omvang van de problematiek en slachtoffer- en daderprofielen. De voorlichtingsfilm ‘De Mooiste Chick van het Web’ maakt onderdeel uit van de handreiking. Deze film moet jongeren, maar ook ouders en leraren, bewust maken van de risico’s van sociale media. Scholen in het hele land kunnen de film gebruiken.
—
Bij de integrale aanpak van de loverboyproblematiek is samenwerking en afstemming tussen de veiligheids- en zorgketen volgens het CCV essentieel. Gemeenten spelen hierin een cruciale rol. Veel bestuurders beseffen onvoldoende dat loverboys ook binnen hun gebied meisjes ronselen. Onderkennen dat het vaak onzichtbare probleem bestaat, is een eerste stap op weg naar een effectieve aanpak.
Een op de tien experts uit het deskundigenpanel vindt dat bestuurders zich bewust zijn van de misstanden in hun gebied. Sommige panelleden wijzen erop dat de bewustwording over mensenhandel en andere misstanden in de prostitutiesector langzaam verbetert. Vooral bij het Rijk en sommige grote gemeenten is er in toenemende mate aandacht voor de problematiek. Het verborgen karakter van mensenhandel zou een oorzaak kunnen zijn van onderschatting en onbekendheid bij bestuurders. Een aantal deskundigen merkt op dat de meeste kennis over mensenhandel aanwezig is bij politie en justitie. Een goede samenwerking en kennisdeling tussen gemeenten, politie en Openbaar Ministerie is daarom van cruciaal belang.
“Er bestaat enorme onderschatting van de problematiek rondom mensenhandel. Omdat mensenhandel een erg gesloten wereld is, komt er weinig informatie naar buiten. Wat er bij politie bekend is, maakt duidelijk dat de problemen groot zijn’’. – Nicolien Kop, Politieacademie
In de pilot ‘Loverboys zijn laffe boys’ ontwikkelde de politie diverse vernieuwende methodes om in contact te komen met slachtoffers en daders. De pilot is uitgevoerd in Rotterdam tussen 2010 en 2012. Een internetrechercheur maakte lokprofielen aan en nam deel aan chatsessies op sites voor sociale netwerken. Hiermee zijn overigens geen loverboys maar wel enkele pedofielen opgespoord. Ook heeft de politie Rotterdam advertenties van thuiswerkende prostituees nagetrokken. Bij een vermoeden van mensenhandel of minderjarigheid bezocht de politie de thuiswerker. Tijdens de pilot zijn 44 prostituees gecontroleerd en uit de prostitutie gehaald. Ook een voorlichtingscampagne gericht op jongeren, potentiële slachtoffers en ouders, maakte deel uit van de pilot. Tijdens de pilot bleek dat loverboys (potentiële) slachtoffers soms dwingen een duur telefoonabonnement af te sluiten. Als slachtoffers eenmaal gedwongen in de prostitutie werken, verplicht de loverboy het slachtoffer de telefoon af te geven. Telefoonmaatschappijen hebben daarom volgens de overheid een maatschappelijke verantwoordelijkheid dit te voorkomen. Als reactie hierop trainen telefoonmaatschappijen als KPN, T-Mobile en Vodafone winkelmedewerkers dit soort praktijken te leren herkennen. De resultaten van de pilot zijn onder meer verwerkt in de Handreiking Aanpak Loverboyproblematiek.
De bestaande opvangvoorzieningen voor slachtoffers van mensenhandel zijn zodanig ingericht dat het aantal opvangplekken aansluit bij de vraag van de doelgroep. Hetzelfde geldt voor de zorg en hulp die binnen de opvang gegeven wordt. Dit blijkt uit de evaluatie van de ‘pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel’. Uit antwoorden van de minister van Veiligheid en Justitie in 2012 op door de Tweede Kamer gestelde vragen blijkt dat er nog knelpunten zijn bij de doorstroming van slachtoffers uit de eerste opvang naar reguliere opvang of huisvesting.
Het Rijk heeft de pilot als categorale opvangvoorziening vanaf medio 2012 voortgezet. CoMensha krijgt verder structureel de beschikking over een budget waarmee het de opvang van slachtoffers van mensenhandel kan regelen.
Of mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering voorkomt in Nederland is eind 2012 nog niet bekend. Ook is er geen indicatie dat Nederlanders zich daaraan in het buitenland schuldig maken. Dat concludeert de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2012 in een onderzoek naar orgaanhandel en mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering.
Toekomstige ontwikkelingen maken extra waakzaamheid voor deze vorm van mensenhandel volgens de rapporteur wenselijk. Internet en mondialisering zorgen er, samen met het nijpende tekort aan organen, voor dat Nederlanders mogelijk steeds meer gebruikmaken van de buitenlandse ‘organenmarkt’.
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel constateert ook dat van steeds meer kanten de roep klinkt orgaandonatie financieel te stimuleren om het tekort aan organen terug te dringen. Betaling voor organen zorgt voor vercommercialisering van de organenmarkt, wat de vrijwilligheid van orgaandonatie in gevaar brengt. Een meer commerciële orgaanmarkt kan het voor mensenhandelaren aantrekkelijk maken mensen op die manier uit te buiten. De rapporteur adviseert een instantie in te stellen die mogelijke gevallen van orgaanhandel registreert.
Het Erasmus Medisch Centrum geeft vanaf 2012 leiding aan een internationaal onderzoeksproject naar mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering. In de driejarige studie werkt het Erasmus MC samen met verschillende instituten in Europa, Europol, de VN-organisatie tegen drugs en misdaad (Undoc), Eurotransplant en de European Society for Organ Transplantation (ESOT). Samenwerking tussen de medische wereld en justitie is uitzonderlijk.