Met de invoering van de Wet regulering prostitutie in 2012 is een verplicht en uniform vergunningenstelsel voor alle seksbedrijven gerealiseerd. De wet moet zicht en grip op de prostitutiesector versterken. Door alle vormen van prostitutie onder dezelfde vorm van regulering te brengen, kan de strijd met mensenhandel, uitbuiting en andere illegale praktijken in de prostitutiesector effectiever worden aangegaan.
Gemeenten krijgen onder het nieuwe stelsel extra verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden voor prostitutie- en escortbedrijven. Alle prostituees moeten zich registreren in een landelijk register en klanten van niet-geregistreerde prostituees zijn strafbaar.
>>TrendsPositieve ontwikkeling
Het aantal verdachten van mensenhandel en het aantal strafdossiers over mensenhandel dat de politie aanlevert aan het Openbaar Ministerie zijn tussen 2008 en 2010 toegenomen. Dat meldt de Korpsmonitor Prostitutie & Mensenhandel 2010. Het aantal verdachten steeg van 239 in 2008 naar 337 in 2010. In 2010 leidde het gestegen aantal onderzoeken tot het indienen van 207 dossiers; dit waren er in 2008 nog 133.
De Korpsmonitor laat ook zien dat bijna de helft van de 25 regionale politiekorpsen in 2010 presteerde volgens de vastgelegde normen. Ten opzichte van 2008 is dit een duidelijke verbetering, omdat er toen zes korpsen conform de norm presteerden. Normen die nog onvoldoende worden nageleefd gaan over het toezicht op de niet-vergunde prostitutiebranche en de structurele informatievoorziening aan het Expertisecentrum voor Mensenhandel en Mensensmokkel.
De politie staat voor een duidelijke opgave om meer zicht te krijgen op niet-vergunde, niet-locatiegebonden vormen van prostitutie. De noodzaak van toezicht op deze branches wordt onderstreept door signalen dat locatiegebonden seksinrichtingen (zoals bordelen en ramen) steeds meer worden vervangen door escortbedrijven, thuiswerkers en hotelprostitutie.
Negatieve ontwikkeling
CoMensha, het Coördinatiecentrum Mensenhandel kreeg in 2010 tien procent meer meldingen van (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel dan in 2009. In ruim een kwart van de meldingen hadden slachtoffers te maken met loverboys.
Een andere zorgwekkende ontwikkeling is de toename van minderjarige slachtoffers. In 2010 was ongeveer vijftien procent van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel minderjarig. Dat is een stijging van bijna honderdveertig procent ten opzichte van het jaar ervoor. De meerderheid van de minderjarige slachtoffers komt uit Nederland en is uitgebuit in de seksindustrie.
De afgelopen jaren signaleerde CoMensha steeds een substantiële stijging van mensenhandelzaken. Omdat de meldplicht niet voor alle instanties geldt, ligt het werkelijke aantal slachtoffers van mensenhandel zeer waarschijnlijk hoger. Tegelijkertijd kan de toenemende aandacht voor de problematiek bij politie, justitie en gemeenten ertoe leiden dat registratie-effecten optreden: meer aandacht en prioriteit voor de problematiek van mensenhandel voor meer registratie van zaken zorgen.
Hardnekkige problematie
Tijdelijke huisvesting en opvangvoorzieningen voor slachtoffers van mensenhandel blijven een punt van aandacht. Uit cijfers van CoMensha blijkt dat het aantal slachtoffers waarvoor opvang moest worden gezocht de laatste jaren steeds toenam. Het centrum pleit niet alleen voor een uitbreiding van het aantal bedden, maar ook voor een grotere diversiteit aan huisvestingsmogelijkheden. Daarvoor zouden afspraken wenselijk zijn met woningbouwcorporaties en gemeenten. Zij kunnen zorgen voor tijdelijke huisvesting, al dan niet in combinatie met ambulante hulpverlening.
In 2010 startte al de pilot Categorale opvang slachtoffers van mensenhandel. De vijftig extra opvangplaatsen die daarvoor in drie instellingen werden gecreëerd, verminderden de druk op de eerste opvang in aanzienlijk. Het is nog onbekend of deze noodopvang in acute crisissituaties structurele overheidsfinanciering krijgt.
Het belang van verblijfsvoorzieningen waar slachtoffers van mensenhandel beschermde opvang en individuele begeleiding krijgen, staat in ieder geval niet ter discussie. Dat wordt eens te meer duidelijk uit de recente berichten dat loverboys steeds vaker meisjes ronselen die al zijn opgenomen in jeugdzorginstellingen.
Goede samenwerking
Personeel in de luchtvaartsector is in 2011 tijdens trainingen geïnformeerd over de risico’s van mensenhandel via internationale vluchten . Daarvoor heeft het kabinet een bulletin laten ontwikkelen waarin wordt omschreven wat mensenhandel is en hoe luchtvaartpersoneel slachtoffers kan herkennen en tegen mensenhandelaars kan optreden. Het bulletin, dat is opgesteld in samenwerking met de Koninklijke Marechaussee en CoMensha, heeft tot doel om bewustzijn van mensenhandel bij personeel in de luchtvaartsector te vergroten, waardoor het aantal meldingen van slachtoffers toeneemt.
Ook een andere beroepsgroep is betrokken bij de aanpak van mensenhandel. Receptionisten en kamermeisjes zijn door de politie bijgespijkerd in het herkennen van prostituees omdat deze slachtoffer kunnen zijn van mensenhandel. De politie geeft tijdens workshops informatie over signalen, zoals Oost-Europese vrouwen van twintig tot dertig jaar die voor langere tijd een kamer boeken en vrouwen die de hele dag in de kamer verblijven.
Goede samenwerking: Professionals en burgers
De Nationale Recherche zette in 2011 voor het eerst een sms-bom in om klanten van escortbureaus te waarschuwen voor mensenhandel. De sms-actie is bedoeld om bij de klanten van de escorts het bewustzijn van mensenhandel te vergroten en om hun hulp te vragen in de bestrijding van de problematiek. Uit onderzoek in Amsterdam blijkt dat de meeste misstanden worden gesignaleerd in de raamprostitutie.
Goede samenwerking: Publiek en privaat
In 2011 publiceerde het CCV een instrument dat gemeenten en instellingen helpt bij het opzetten en uitvoeren van een uitstapprogramma voor prostituees. Het instrument is gebaseerd op het beginsel dat uitstapprogramma’s in ieder geval rekening houden met vier fasen: contact, oriëntatie, uitvoering en nazorg.
Het stappenplan van het CCV is het resultaat van een evaluatie van de Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees (RUPS), waarmee de rijksoverheid gemeenten en instellingen stimuleerde om een programma op te zetten voor prostituees die naar ander werk willen worden begeleid. Een belangrijke succesfactor voor een uitstapprogramma blijkt de begeleiding door trajectbegeleiders. Zij fungeren als vertrouwenspersoon voor de prostituee, bieden hulp bij het aanpakken van problemen, en fungeren als gids door de wirwar van wetgeving, regels en bureaucratie.
In totaal zijn er met de RUPS-regeling dertien uitstapprogramma’s opgezet of uitgebreid, waaraan tussen de 800 en 850 prostituees deelnamen. Tijdens de evaluatie van de regeling bleek het niet mogelijk om de exacte aantallen van deelnemers en succesvolle ‘uitstappers’ te geven. Er is bij de verschillende projecten geen eenduidige registratie van gegevens over instroom, doorstroom en uitstroom. Wel werd duidelijk dat de hulpverlening volgens zowel de professionals als de deelnemers naar tevredenheid verloopt.
Een van de knelpunten is dat uitstapprogramma’s vaak lokaal zijn georganiseerd, terwijl ze een regionale functie hebben. Gemeentelijke diensten, zoals de sociale dienst en schuldhulpverlening zijn vaak onbekend met de doelgroep als er in die gemeente geen uitstapprogramma is. Dit draagt niet bij aan hulp bij de levensverandering die prostituees noodzakelijkerwijs moeten doormaken om hun beroep vaarwel te zeggen.
>>TrendperspectiefInternationaal
De meeste landen hebben mensenhandel strafbaar gesteld. Het gebruik van deze wetten om mensenhandelaren te vervolgen en veroordelen blijft volgens het UNODC beperkt. Daar komt bij dat er weinig kennis en begrip is van het delict.
Het United Nations Office on Drugs and Crime lanceerde in 2011 een database met informatie en jurisprudentie over mensenhandel. De databank van het UNODC bevat details over nationaliteiten van daders en slachtoffers, veelgebruikte routes, rechterlijke uitspraken en andere informatie uit strafzaken uit de hele wereld. De database is een hulpmiddel voor rechters, Openbaar Ministerie, beleidsmakers, journalisten en onderzoekers.
Volgens het kabinet loopt Nederland internationaal gezien voorop bij de aanpak van mensenhandel. Dit blijkt onder andere uit de laatste editie van Trafficking in persons 2011. Hierin staat dat de Nederlandse overheid landelijk en internationaal leiderschap toont in het ontwikkelen van innovatieve methoden om mensenhandel aan te pakken. Ook maakt het rapport melding van de pragmatische en zelfkritische aanpak in ons land, die leidt tot concrete verbeteringen in het mensenhandelbeleid. Daarnaast signaleert het rapport dat in Nederland stevig wordt ingezet op slachtofferopvang.
Expertperspectief
In oktober 2000 is het algemeen bordeelverbod opgeheven. Met de wetswijziging werd de exploitatie van vrijwillige prostitutie gelegaliseerd, met als doel een duidelijke scheidslijn aan te brengen tussen legale en illegale vormen van prostitutie. Van legaal sekswerk is sprake als prostituees vrijwillig werken en minimaal achttien jaar oud zijn en de exploitatie plaatsvindt binnen de kaders van het gemeentelijk beleid. De formulering en handhaving van het lokale prostitutiebeleid zijn overgelaten aan gemeenten.
De wetswijziging was bedoeld om de exploitatie van prostitutie te reguleren en te beheersen, de positie van prostituees te verbeteren, en strafbare feiten binnen de sector - zoals uitbuiting van minderjarigen en mensenhandel - beter te kunnen aanpakken.
Ruim een decennium na de invoering is duidelijk dat de opheffing van het bordeelverbod onvoldoende effect heeft op criminaliteit en overlast rond prostitutie. Voor die tijd werd het verbod op bordelen in de praktijk nauwelijks gehandhaafd. Wat heeft de wetswijziging in de praktijk veranderd?
Uit een landelijke evaluatie van de opheffing van het bordeelverbod die in 2007 werd afgerond kwam naar voren gekomen dat mensenhandel sindsdien vooral is bemoeilijkt door strengere handhaving. Een groot deel van de beschikbare capaciteit van de politie wordt besteed aan controles in de vergunde sector, terwijl in de niet-vergunde sector beperkt wordt gecontroleerd en gerechercheerd.
De onderzoeksresultaten uit 2007 lijken nog onverminderd relevant. Volgens recente evaluaties van de opheffing van het bordeelverbod in Amsterdam behoudt de branche haar criminogene karakter. De meeste misstanden worden gesignaleerd in de raamprostitutie. Een aantal escortbureaus ontloopt de vergunningverplichting die in 2008 is ingesteld, door zich bijvoorbeeld in andere steden te vestigen of illegaal op het internet te adverteren.
In Nijmegen constateerden onderzoekers in 2010 dat de mate waarin mensenhandel na opheffing van het bordeelverbod is teruggedrongen niet is vast te stellen. Wel blijkt de overlast rond de tippelzone en de straat waar raamprostitutie is gevestigd beperkt en stabiel.
Deelnemers aan het CCV-deskundigenpanel zijn verdeeld over de effecten van het bordeelverbod op mensenhandel en onveiligheid. Duidelijk is dat transparantie en zichtbaarheid van de sector van belang zijn voor adequaat toezicht op legale bedrijven en voor het bestrijden van misstanden. Daarnaast is hulpverlening aan de vrouwen een blijvend aandachtspunt.
Vraag voor de toekomst
Volgens het CCV is het denkbaar dat de invoering van de nieuwe prostitutiewet leidt tot nieuwe manieren van samenwerking. Te denken valt aan koppels die namens verschillende organisaties de straat op gaan: zoals met iemand vanuit de gemeente en iemand vanuit de politie.