De aanpak van jeugdcriminaliteit kreeg in het regeerakkoord een prominente plaats. Door een goede onderlinge samenwerking moeten ouders, onderwijs, jeugdzorg en politie risicogedrag tijdig signaleren en criminele carrières voorkomen. In de strafrechtketen krijgt intensivering van opsporing en berechting van jeugdcriminaliteit bijzondere aandacht.
De invoering van het adolecentenstrafrecht beoogt een nog effectievere aanpak van criminaliteit onder risicojongeren. Het adolescentenstrafrecht geldt voor jeugdigen in de leeftijd van 15 tot 23 jaar en kan criminele jongeren een maximum van twee jaar jeugddetentie opleveren. Net als het jeugdstrafrecht houdt het adolescentenstrafrecht onder meer rekening met de ontwikkeling van de jongere. Als het adolescentenstrafrecht in werking treedt, kan dat voor het eerst ook bij jongeren tot 23 jaar.
Verschillende bronnen wijzen op een afname van de jeugdcriminaliteit. Omdat jeugdcriminaliteit en jongerenoverlast veel overlast veroorzaken bij burgers, blijft de aandacht voor deze onderwerpen onverminderd hoog. Dat blijvende aandacht van belang is, bewijst een evaluatie van Veiligheidshuizen. De afname van (politieke) aandacht voor een bepaald veiligheidsprobleem leidt vaak tot een vermindering van de inzet van partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband. Juist in Veiligheidshuizen krijgt de aanpak van jeugdcriminaliteit op individueel niveau vorm.
>>TrendsDe jeugdcriminaliteit nam met 45 procent af, becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het aantal geregistreerde minderjarige verdachten daalde in de periode tussen 2005 en 2011 van 99.000 naar 54.000. Ook het aantal jeugddetenties is meer dan gehalveerd. Minderjarigen waren in 2011 bij de politie voor alle type delicten minder vaak verdacht. Het sterkst was de daling van het aantal minderjarige verdachten van vernielingen.
In tegenstelling tot de stagnatie van de totaal geregistreerde criminaliteit in 2011, waren jongeren in 2011 ook minder vaak verdacht dan het jaar ervoor. Opvallend is ook dat het aandeel minderjarige verdachten op het totale aantal geregistreerde verdachten tussen 2005 en 2011 daalde van 20 naar 14 procent. Dat betekent dat jeugdcriminaliteit sneller afneemt dan de totale criminaliteit.
Opmerkelijk is de ontwikkeling van het aantal 18- tot 24 jarige zeer actieve veelplegers (jonge zeer actieve veelplegers). Dit aantal steeg in 2009 met 28 procent ten opzichte van 2003. Ook het aandeel jonge zeer actieve veelplegers onder het totale aantal zeer actieve veelplegers nam in die periode flink toe. Een selectieve rechtshandhaving gericht op veelplegers in deze leeftijd kan volgens onderzoekers van het WODC een oorzaak zijn van de tegenstrijdige signalen.
De daling van de jeugdcriminaliteit heeft nauwelijks invloed op het percentage Nederlanders dat overlast ervaart van hangjongeren en jeugdcriminaliteit. De Integrale Veiligheidsmonitor 2011 laat zien dat in de periode tussen 2008 en 2011 steeds ongeveer elf procent van de bevolking last ondervond van hangjongeren. De overlast van jeugdcriminaliteit daalde in die periode licht: van ruim vijf procent naar 4,4 procent.
Een indicator voor de jeugdcriminaliteit is het aantal problematische jeugdgroepen. Uit een rapport van Bureau Beke blijkt dat dit aantal in 2011 met 24 procent is gedaald ten opzichte van het jaar ervoor. In 2011 waren er landelijk 1.165 jeugdgroepen actief; onderverdeeld in 878 hinderlijke, 222 overlastgevende en 65 criminele jeugdgroepen. Met een afname van 27 procent is de daling onder criminele jeugdgroepen in 2011 het sterkst. In 2011 waren er 24 procent minder hinderlijke en 22 procent minder overlastgevende groepen.
Bijzondere aandacht verdienen licht verstandelijk gehandicapte (LVG) jongeren. Er is een toenemend probleembesef van het aantal LVG-jongeren dat betrokken is bij delinquent gedrag. Het aantal LVG-jongeren dat een jeugdreclasseringtraject doorloopt, nam sinds 2000 fors toe. Ook zijn deze jongeren oververtegenwoordigd in het justitieel apparaat.
Volgens schattingen is 16 procent van de Nederlandse jongeren tussen 12 en 25 jaar licht verstandelijk gehandicapt. Veel van hen hebben ook andere problemen. Voor een groot deel van de buitenwereld is niet meteen duidelijk dat deze jongeren een beperking hebben. Daardoor worden deze jongeren vaak anders bejegend dan ‘normale jongeren’. Gevolg is dat hulpverleners LVG-jongeren regelmatig niet in het vizier hebben. Ook weten LVG-jongeren zelf de weg naar de hulpverlening onvoldoende te vinden. Hulpverlening komt vaak pas op gang als deze jongeren in aanraking komen met het strafrecht, en juist bij deze groep is de kans daarop groter. Een strafblad creëert tegelijkertijd afstand tot de arbeidsmarkt en een ongunstig toekomstperspectief.
Zorgwekkend is dat voor veel LVG-jongeren onvoldoende hulp voorhanden is. Dat geldt vooral voor de groep die minder opvalt: jongeren met een IQ tussen de 70 en 85.
Bijna de helft van het deskundigenpanel schat in dat er voor de groep licht verstandelijk gehandicapte jongeren met crimineel gedrag onvoldoende aandacht en hulp beschikbaar is. Meer onderkenning van het probleem en groeiende aandacht voor deze groep jongeren hoeft niet te betekenen dat ook de problematiek toeneemt. Sommige experts wijzen erop dat bezuinigingen op voorzieningen en hulp voor deze groep slecht kunnen uitpakken.
“Voor licht verstandelijk gehandicapte jongeren met crimineel gedrag is te weinig aandacht en hulp. Maar er is volgens mij geen sprake van een toename van deze doelgroep. Omdat uit de veelplegersaanpak bleek dat veel van de usual suspects LVG-problematiek hadden, is het gewoon meer zichtbaar. Daarvan zou de 'harde' repressieve kant van de veiligheidsketen niet op de hoogte zijn als de 'zachte' zorgzame kant niet ook aan tafel had gezeten.’’ – Sander Flight, DSP-groep
>>AanpakkenHet is belangrijk om risicogedrag tijdig te signaleren en criminele carrières te voorkomen. Vroegsignalering helpt om probleem- en/of delictgedrag van kinderen zo vroeg mogelijk in het vizier te krijgen. Het kan verhinderen dat een jongere in een jeugdgroep (verder) afglijdt naar crimineel gedrag.
Omdat het soms onduidelijk is wat de rollen van betrokken instanties zijn, ontwikkelde het CCV de Matrix Vroegsignalering. Dit instrument biedt een overzicht van de rollen van de verschillende partners en hun taken en verantwoordelijkheden. De matrix is vooral gericht op gemeenteambtenaren die de regierol hebben bij de aanpak van kinderen of jongeren in een jeugdgroep. Zij krijgen door de matrix aanwijzingen op wie ze een beroep kunnen doen bij de aanpak van specifieke (groepen) jongeren. Ook andere organisaties die betrokken zijn bij vroegsignalering kunnen de matrix gebruiken.
Met een groepsgerichte, dadergerichte en domeingerichte aanpak wordt jeugdcriminaliteit op een integrale wijze bestreden. Lokaal zijn er verschillende voorbeelden van dadergerichte aanpakken.
Met de veelbelovende Aanpak Top600 wil de gemeente Amsterdam de 600 meest criminele jongeren en jongvolwassenen van de straat en uit de criminaliteit halen. In deze aanpak werken meer dan dertig partijen met elkaar samen, waaronder de politie, het OM, de reclassering, jeugdzorg, GGD en de Dienst Werk en Inkomen. De Aanpak Top600 moet daarnaast voorkomen dat broertjes en zusjes het slechte voorbeeld van criminele jongeren volgen. Op deze manier signaleren de samenwerkingspartners probleem- en/of delictgedrag van kinderen in een vroeg stadium. Op een website houdt de gemeente Amsterdam bij hoeveel daders er zijn aangepakt: in februari 2013 stond de teller op 602.
De gemeente Veenendaal heeft een vergelijkbare aanpak. Als een persoonsgerichte aanpak van een overlastgevende jongere geen resultaat oplevert, gaat de gemeente over tot de inzet van een interventieteam. Dit team bestaat uit de gemeentelijke basisadministratie, dienst Werk en Inkomen, de Belastingdienst, politie en woningcorporaties. Het interventieteam bezoekt de jongere, maar ook de familie of vrienden in zijn/haar omgeving.
In de gemeenten Vlagtwedde en Stadskanaal gaan de burgemeester, samen met jongerenwerk en politie, een persoonlijk gesprek aan met de jongeren. Deze werkwijze blijkt daar een van de succesfactoren bij de plaatselijke aanpak van jeugdbendes. Tegelijkertijd zijn ook de gemeentelijke afdeling sociale zaken en scholen nauw betrokken bij de aanpak. De persoonlijke aandacht van de burgemeester werkt positief: de jongeren waarderen zijn aanwezigheid. In de ogen van de jongeren is de burgemeester een persoon die ertoe doet. Door het organiseren van vervolggesprekken controleren de partijen of de jongeren afspraken nakomen. De minister van Veiligheid en Justitie vindt deze werkwijze een goed voorbeeld voor een succesvolle aanpak bij andere gemeenten. In grotere steden kan de burgemeester een andere gemeentefunctionaris vragen de gesprekken met de jongere laten voeren. Een blauwdruk van de aanpak is beschikbaar op de wegwijzer Jeugd en Veiligheid.
Een andere manier om jeugdoverlast tegen te gaan en criminaliteit onder jongeren te voorkomen, is de inzet van straatcoaches. De Stichting Aanpak Overlast Amsterdam (SAOA) maakt sinds eind 2012 deel uit van de database Aanpakken jeugdgroepen. Dat betekent dat deskundigen positief zijn over uitgangspunten, effectiviteit en toepasbaarheid van de aanpak. Interventieteams van de SAOA bestaan uit straatcoaches die jongeren op straat aanspreken op hun gedrag. Gezinsbezoekers confronteren ouders achter de voordeur met het overlastgevende gedrag van hun kind(eren). Samen met de jongere en ouders maken zij afspraken en laten daarbij het gedrag van broertjes en zusjes niet buiten beschouwing.
Uit onderzoek van Significant blijkt dat straatcoaches en gezinsbezoekers bijdragen aan de afname van jeugdoverlast en het aantal jeugdgroepen in Amsterdam. Door informatie over jongeren te delen, stellen zij ook andere ketenpartners in staat op te treden of zorg te bieden. De straatcoach en gezinsbezoeker vullen het grijze gebied tussen politie en jongerenwerk. Beiden kunnen de jongeren en de ouders aanspreken. De interventie van straatcoaches is soms minder effectief omdat hun werk niet altijd bekend is bij bewoners, ondernemers en sommige professionals.
Ook de gemeentelijke ombudsman van Amsterdam constateert dat straatcoaches een goede bijdrage leveren aan het signaleren en tegengaan van jeugdoverlast. Wel moeten straatcoaches zich meer concentreren op werkelijk overlastgevende jongeren in plaats van jongeren die normaal gedrag vertonen. De ombudsman adviseert de aanleiding en noodzaak voor een gezinsbezoek van tevoren voldoende vast te leggen. Zo kunnen gezinsbezoekers beter uitleggen waarom zij voor de deur staan. Onderzoek van DSP-groep benadrukt ook het belang van duidelijke en realistische doelstellingen voor straatcoaches.
Dat partijen niet alleen heil zien in een groepsgerichte en dadergerichte aanpak bewijzen de interventies met licht, kleur, geluid en geur in het publieke domein. Vooral in het buitenland zijn er voorbeelden van zintuigbeïnvloeding om jongerenoverlast te verminderen. In Engeland probeert de gemeente Middlesbrough met varkenspoep een groep overlastgevende jongeren te verjagen. België en Frankrijk zetten hiervoor klassieke muziek in. Roze lampen, die ook acne beter zichtbaar maken, moeten in Groot-Brittannië een eind maken aan de overlast van hangjongeren. Pratende camera’s verleiden jongeren een andere hangplek te zoeken. De welbekende mosquito heeft in Rotterdam zijn langste tijd gehad. Van de 37 apparaten zijn er de afgelopen jaren 33 verwijderd. Anders dan vroeger is het plaatsen van een mosquito nu de bevoegdheid van de Rotterdamse burgemeester. Hij wil de mosquito alleen nog als laatste redmiddel inzetten.
Ondanks soms positieve ervaringen, zijn er weinig systematische evaluaties van interventies met licht, kleur, geluid en geur. Uit onderzoek van de Landelijke expertisegroep veiligheidspercepties blijkt dat jongeren zich bij hun keuze voor een hangplek laten afstoten door licht dat zij onprettig vinden. Licht dat zij als aangenaam beleven, trekt hen juist aan.
>>ToekomstperspectiefEr is veel aandacht voor jongeren als dader van geweld. Jongeren hebben echter ook een grotere kans slachtoffer te worden van geweld dan volwassenen. De Vrije Universiteit deed daarom onderzoek naar de risicofactoren en kenmerken van slachtoffers van geweld en de relatie met daderschap.Daders blijken het meeste risicogedrag vertonen, maar ook slachtoffers vertonen relatief veel risicogedrag. Sommige jonge slachtoffers van geweld worden vaker slachtoffer of ontwikkelen zich tot dader.
Daarnaast durven veel slachtoffers de stap naar aangifte niet te maken. Daarom is het volgens de onderzoeker van belang dat deze groep voldoende aandacht krijgt. Met een aanpak gericht op jonge slachtoffers van geweld zou winst te behalen zijn. Er zijn minder inspanningen nodig om deze groep van geweld te weerhouden dan bijvoorbeeld gewelddadige veelplegers. Dit kan leiden tot een reductie van herhaaldelijk slachtofferschap en tot minder potentiële daders. Dit past goed in een tijdgeest waarin veel aandacht is en blijft voor slachtoffers.