Overlast en verloedering kunnen van grote invloed zijn op de leefbaarheid en veiligheid in de buurt. De bezuinigingen op welzijnswerk, buurthuizen en leefbaarheidsprojecten geven wijkbewoners, nog meer dan eerst, een taak bij het zorgen voor leefbare en veilige wijken. Het kabinet wil burgers ondersteunen bij hun groeiende verantwoordelijkheid voor het veiligheidsbeleid in wijken.
Het aantal Nederlanders dat zich actief inzet voor het verbeteren van de buurt nam de afgelopen jaren toe. Een voorbeeld daarvan is SMS-alert. Dit is een systeem dat bewoners van een Amsterdamse wijk op eigen initiatief en zonder subsidie hebben opgezet. Bewoners waarschuwen elkaar via sms als zij iets verdachts zien in de wijk. Hierdoor voelen bewoners zich prettiger en ervaren minder overlast. SMS-alert won in 2012 de Hein Roethofprijs.
Ook in wijkondernemingen zetten bewoners zich in voor hun eigen woonomgeving. Wijkondernemingen zijn onafhankelijke maatschappelijke initiatieven met zowel een commerciële als maatschappelijke doelstelling. Bewoners zelf vormen het bestuur van de organisatie, eventueel aangevuld met raadsleden of medewerkers van de gemeente. Uit de winst financiert de onderneming maatschappelijke activiteiten voor de wijk.
>>TrendsHet oordeel van Nederlanders over de veiligheid en leefbaarheid van hun woonbuurt is de laatste jaren niet of nauwelijks veranderd. Dat blijkt uit de Integrale Veiligheidsmonitor 2011 van het CBS. Tussen 2008 en 2011 gaven burgers hiervoor steeds een rapportcijfer rond de 7. Leefbaarheid beoordeelden Nederlanders iets hoger dan de veiligheid in de woonbuurt. De veiligheidsmonitor maakt ook duidelijk dat het aandeel Nederlanders dat overlast ervaart van hangjongeren of buren amper wisselt. Wel nam het percentage van de bevolking dat overlast ervaart van dronken mensen op straat in de periode tussen 2008 en 2011 toe van zes naar zeven procent. Steeds minder Nederlanders hebben last van fysieke overlast, zoals bekladding van muren of gebouwen, vernieling van bus- of tramhokjes of hondenpoep in de buurt.
Statusontwikkeling van wijken is in zowel grote als kleine gemeenten niet verbonden met overlast en verloedering. Dat blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar de statusontwikkeling van wijken in Nederland tussen 1998 en 2010. Wel is er meer overlast en verloedering in wijken waar bewoners een beperkte binding hebben met de buurt. Binding is vooral laag in buurten met veel twintigers.
Het SCP onderzoekt de sociale status van wijken aan de hand van een aantal kenmerken van bewoners: hun opleidingsniveau, inkomen en arbeidsmarktpositie. Tussen 1998 en 2010 steeg de gemiddelde status van de Nederlandse wijken. Vooral de bouw van nieuwbouwwijken en het gestegen opleidingsniveau van de bewoners zijn redenen van de stijging. Met name in de grote steden is er een sterk verband tussen een toename van koopwoningen en een hogere status van de wijk. Wijken met een lage status hebben een ongunstige ligging en onaantrekkelijke bebouwing. Als verval eenmaal inzet lijkt het tij lastig te keren. Omdat bewoners die het zich kunnen veroorloven, verhuizen naar ‘betere’ buurten, blijven bewoners met een lagere sociaaleconomische status achter. Nieuwe bewoners met een lage(re) status nemen de plaats in van de vertrekkende groep. De status van aandachtswijken daalde tussen 1998 en 2006, maar steeg vanaf 2006 licht. Wel blijft het statusniveau van aandachtswijken bijzonder laag.
Met de wijkenaanpak moesten veertig aandachtswijken in 18 gemeenten (G18) transformeren tot veilige en leefbare wijken, waar mensen kansen hebben, betrokken zijn en prettig wonen. Sinds de start van de wijkenaanpak maakte ongeveer de helft van de veertig aandachtswijken in 2010 een positieve ontwikkeling door. Een derde van de wijken ontwikkelde zich negatief.
Vooral de leefbaarheid, integratie en gezondheid ontwikkelden zich gunstig. Op het thema wonen en leefbaarheid boekte een groot deel van de aandachtswijken in 2010 vooruitgang. Op het gebied van leefbaarheid nam de achterstand van de aandachtswijken ten opzichte van het G18-gemiddelde (de gemeenten waarin de veertig aandachtwijken gevestigd zijn) af met tien procent. Op het thema veiligheid nam de achterstand van de aandachtswijken op de G18 toe, ookal verbeterde de veiligheidsscore in veel aandachtswijken licht.
Een studie naar de samenhang tussen leefbaarheid en buurtparticipatie benadrukt de positieve werking van bewonersparticipatie. Buurtparticipatie draagt in positieve zin bij aan de ontwikkeling van de leefbaarheid van buurten, maar draagt niet bij aan leefbaarheid in wijken met een zeer negatieve of juist een zeer positieve leefbaarheid. Met buurtparticipatie ontstaat een sociaal netwerk en een sterkere binding in de buurt. Dit heeft weer minder snelle doorstroming tot gevolg. Deze stabiliteit heeft een positieve invloed op de leefbaarheid en voorkomt dat er op enig moment een versnelde instroom van kansarme huishoudens ontstaat. Het lijkt van belang burgerparticipatie te stimuleren in buurten zonder extreme uitgangspositie.
Zowel in de G18 als in de aandachtswijken was bijna een vijfde van de inwoners actief bezig om de buurt te verbeteren. Tussen 2007 en 2011 bleef de mate van bewonersparticipatie in alle aandachtswijken samen gelijk.
Naast aandachtswijken kregen, met name in de media, woonwagencentra en vermeende vrijplaatsen in 2012 veel aandacht. Gemeenten zouden moeite hebben om de regels op woonwagencentra te handhaven. Onderzoek laat zien dat er in 2010 naar schatting 40 gemeenten waren met daarin 63 of meer vrijplaatsen. De problematiek lijkt hiermee niet afgenomen, en mogelijk licht toegenomen. Als gemeenten niet optraden, kwam dat vooral omdat zij er weinig prioriteit aan toekennen, een beperkte capaciteit hebben en/of angst voor de gevolgen ervaren. Sommige gemeenten hebben geen oplossing voor de problemen op woonwagencentra waar de situatie problematisch is en kijken weg. Op nogal wat woonwagencentra gaat het echter wel goed met de bewoners.
Gemeenten zijn volgens de inspectie verantwoordelijk voor een integrale en multidisciplinaire aanpak. De aanpak van centra waar het niet goed gaat en bewoners problemen hebben op meerdere leefgebieden vereist een lange adem. Het Rijk kan gemeenten bij de aanpak ondersteuning en expertise bieden.
Het CCV vroeg het deskundigenpanel of zij het beeld herkennen dat gemeenten moeite hebben om regels op woonwagencentra te handhaven en dat toezichthouders, ambtenaren of hulpverleners zogenoemde vrijplaatsen uit angst vermijden. De experts uit het panel zijn verdeeld in hun reacties. Negentien van de vijftig experts herkennen het beeld en acht van de vijftig doen dat niet. Bijna de helft van het panel weet het niet. Uit de antwoorden van de deskundigen blijkt dat er een grote verscheidenheid is aan woonwagencentra. Ook ervaren toezichthouders, ambtenaren of hulpverleners angst op verschillende wijze. Sommige experts spreken hierbij uit eigen ervaring en beleefden die angst zelf. Anderen hebben goede ervaringen bij de handhaving van regels op woonwagencentra.
“Op woonwagencentra hebben ambtenaren wel negatieve ervaringen, maar we blijven als gemeente normaal optreden. Bij een goede bestuurlijke rugdekking zijn het normale taken die lang niet altijd handhavend van aard zijn. Het ontbreken van bestuurlijke steun en daadkracht is vaker het probleem dan de ambtelijke activiteiten zelf. Die activiteiten zijn namelijk goed voor te bereiden en af te stemmen op verwachte reacties”. – Henk Boelens, gemeente Breda
>>AanpakkenVaak zoeken overheden bij de aanpak van complexe problematiek in wijken naar best practises. Onderzoek laat zien dat zij hun zoektocht ook moeten richten op zogenoemde best persons. Dezen boeken door een onorthodoxe aanpak zichtbare resultaten in achterstandswijken.
In aandachtswijken is er een groot verschil tussen de systeemwereld en leefwereld. De systeemwereld bestaat uit professionele organisaties met regels, structuren en procedures. In de leefwereld willen bewoners dat het leven in hun wijk en hun persoonlijke situatie verbeteren. Een best person vormt de verbinding tussen deze twee werelden. Hij kan werknemer zijn van een professionele organisatie, zoals de politie, of gewoon een actieve buurtbewoner zijn. Daarnaast vindt hij praktische oplossingen, die voor beide werelden aanvaardbaar zijn.
Een best person bezit een unieke combinatie van ondernemerschap en betrokkenheid. Als ‘ondernemer’ zet hij zich volledig in, neemt risico’s, heeft een uitgesproken visie en is gericht op resultaten. Vanuit zijn betrokkenheid heeft hij een breed netwerk, kan overweg met mensen van verschillende achtergronden en heeft een hoge mate van empathie met de mensen om wie het gaat. Door zijn betrokkenheid weet een best person ook wat de buurt belangrijk vindt. Omdat een best person eerlijk is over doelstellingen en werkwijze en geen loze beloften doet, geniet hij vertrouwen onder bewoners.
Een best person is bij uitstek geschikt voor een aandachtswijk. De problematiek is daar complex, net als de systemen die in zo’n wijk actief zijn. Al die systemen, met regels, overleggen en afspraken, maken het voor professionals al lastig genoeg met elkaar samen te werken. De onderzoekers pleiten ervoor deze best persons te ondersteunen in plaats van tegen te werken.
Een promotieonderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen benadrukt het belang van vertrouwen. Volgens de onderzoekers kan de leefbaarheid in een buurt alleen verbeteren als bewoners vertrouwen hebben in zowel elkaar als in professionals die actief zijn in de buurt. Dit vertrouwen geeft bewoners het vermogen op te treden tegen vormen van overlast en criminaliteit en maakt de buurt zo collectief weerbaar. Alleen in collectief weerbare buurten kan leefbaarheid zich goed ontwikkelen.
Geconcludeerd wordt dat het in aandachtswijken vaak ontbreekt aan vertrouwen tussen bewoners onderling en tussen bewoners en professionals. Ook schort het vertrouwen tussen professionals. Professionals kunnen alleen het vertrouwen van bewoners winnen, en zo dus ook de leefbaarheid vergroten, als zij ook vertrouwen hebben in elkaar. Wantrouwen tussen professionals en slechte onderlinge samenwerking leidt tot een afwachtende houding, langzaam optreden en ineffectieve interventies. Bewoners hebben geen boodschap aan complexe samenwerking, maar willen zien dat de aanpak iets oplevert. Vertrouwen winnen professionals alleen als bewoners zien wat de effecten zijn van interventies in de buurt en als bewoners langdurig positieve ervaringen opdoen met professionals.
De onderzoekers adviseren samenwerkende professionals stilzwijgende verwachtingen en bedoelingen van interventies uit te spreken. Zo zijn bewoners op de hoogte van gezamenlijke inspanningen die professionals leveren. Een lange adem is nodig: sociale interventies bewijzen pas na langere tijd hun effect.
—
Het CCV publiceerde in 2012 het instrument Overlastbeleving Het nieuwe instrument moet het mogelijk maken overlastbeleving te beïnvloeden. Het komt namelijk regelmatig voor dat buurtbewoners klagen over overlast, terwijl er weinig objectieve gegevens zijn die hun klachten staven. Het Informatie Analyse Actie-model (IAA-model) ondersteunt gemeenten om beter grip te krijgen op de aanpak van overlast. Het model helpt bij het in kaart brengen en adequaat analyseren van de feitelijke situatie, wat inwoners en overheid daarvan zien of ervaren, en welk gevolg ze hieraan geven. Op basis hiervan kan de gemeente een gerichte aanpak bepalen. In 2012 ging een aantal gemeenten met het IAA-model aan de slag.
—
Voor toezicht en handhaving van overlast kunnen gemeenten gebruik maken van buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s). Uit onderzoek blijkt dat boa’s in wijken en buurten steeds vaker taken overnemen van de politie.
Het uitgebreide takenpakket bestaat niet meer alleen uit toezicht, maar ook steeds meer uit handhavingstaken. Oorzaken van deze verschuiving zijn volgens het onderzoek een groeiende ongerustheid over veiligheid en een lagere tolerantiegrens van burgers. Ook het feit dat de lokale overheid steeds meer een ‘integrale’ veiligheidsbenadering nastreeft in buurten en wijken speelt een rol.
Sinds 2009 is het voor boa’s mogelijk zonder het Openbaar Ministerie (OM) of de rechter een sanctie op te leggen voor lichte overlastfeiten. De boa kan hiervoor gebruikmaken van de bestuurlijke strafbeschikking overlast en de bestuurlijke boete overlast. Uit een evaluatie blijkt dat 270 gemeenten de bestuurlijke strafbeschikking in 2011 gebruikten. Het aantal uitgeschreven bestuurlijke strafbeschikkingen steeg tussen 2009 en 2011 van 8.000 naar bijna 27.000. Het meest vaak legden boa’s bestuurlijke strafbeschikkingen overlast op voor loslopende honden, hondenpoep en het onjuist aanbieden van afval. Niet duidelijk is of het instrument tot een afname van overlast leidde. Geen enkele gemeente paste in 2011 de bestuurlijke boete toe. De oorzaak: anders dan bij de bestuurlijke beschikking moet de gemeente bij dit instrument er zelf voor zorgen dat de zaak wordt afgewikkeld.
Ook sociale media hebben een plaats in de aanpak van overlast en verloedering. Zo kunnen burgers in de gemeente Tilburg via Facebook laten weten welke plekken in de stad in aanmerking komen voor een opknapbeurt. De plekken met de meeste ‘likes’ knappen gemeente en burgers gezamenlijk op.
De gemeenten Nijmegen, Oss en Breda zetten sociale media op een andere manier in. Een participatiekaart op internet biedt inzicht in de plaatsen waar bewoners, ondernemers en overheid samenwerken aan het beheer van de openbare ruimte. Als andere gemeenten volgen, leidt dit tot een landelijk platform voor burgerparticipatie in de openbare ruimte.
Sinds 2011 mogen woningcorporaties geen woningen meer toewijzen aan huishoudens met een inkomen hoger dan 33.614 euro. Wel is het binnen de bestaande regelingen mogelijk maximaal tien procent van de nieuwe verhuringen aan huishoudens boven deze inkomensgrens toe te wijzen. Daarnaast kunnen corporaties sommige huurwoningen liberaliseren. Onderzoek wees al uit dat de nieuwe regels zorgen voor een hogere concentratie van lage inkomens in de aandachtswijken.
Wat betekenen de nieuwe regels voor woningcorporaties op de lange termijn voor de leefbaarheid in de aandachtswijken?