Uit het Trendsignalement 2012 bleek al dat daders iets minder snel opnieuw in de fout gaan dan voorheen. Onder de groep zeer actieve veelplegers is die ontwikkeling nu ook zichtbaar. Het nieuwe kabinet vindt het terugdringen van recidive erg belangrijk. Zij wil recidive verminderen door passende straffen. Zo moet het Openbaar Ministerie in de toekomst minimale strafeisen voor ernstige gevallen van recidive vastleggen. Daarnaast is er aandacht voor tijdige resocialisatie, zodat ook weer nieuw perspectief ontstaat voor de ex-gedetineerde. De mogelijkheid voor de rechter om als aanvullende maatregel ‘ter beschikking aan het onderwijs’ (TBO) op te leggen, is daar een voorbeeld van.
Niet alleen verscherpt toezicht en passende straffen kunnen recidive verminderen. Ook nazorg aan ex-gedetineerden is een belangrijke voorziening om de kans op herhalingscriminaliteit te verminderen. Ieder jaar keren ruim dertigduizend ex-gedetineerde burgers terug in de maatschappij. Door goede samenwerking zorgen partners in het Veiligheidshuis dat ex-gedetineerden de beschikking hebben over de noodzakelijke basisvoorzieningen: een ID-bewijs, huisvesting, inkomen en werk, schuldhulpverlening en zorg. Hierdoor wordt voorkomen dat ex-gedetineerden opnieuw in de fout gaan.
>>TrendsDe afname van de hoeveelheid zeer actieve volwassen veelplegers (de zogenoemde ZAVP’s) zet door. Uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en documentatiecentrum (WODC) over de periode tussen 2003 en 2009 blijkt dat dit aantal elk jaar daalde. In totaal nam het aantal ZAVP’s in die periode met 18 procent af. Wel blijft de ernst van de recidivedelicten stabiel. Opvallend is de afname van het aandeel vermogensdelicten onder de ZAVP’s. Het aandeel delicten tegen de openbare orde en geweldsdelicten nam daarentegen juist toe.
Hetzelfde onderzoek maakt duidelijk dat er niet onder alle zeer actieve veelplegers sprake is van een positieve ontwikkeling. Het aantal 18 tot 24-jarigen onder hen, de zogenoemde jonge zeer actieve veelplegers, is juist toegenomen. In de periode tussen 2003 en 2009 steeg de omvang van deze groep met 28 procent. Ook nam het aandeel jonge zeer actieve veelplegers onder alle ZAVP’s toe: van 19 procent in 2003 naar 29 procent in 2009. Dat betekent dat de groep ZAVP’s in toenemende mate bestaat uit 18 tot 24-jarigen. De groep jonge zeer actieve veelplegers pleegt wel minder ernstige delicten en lijkt dus minder crimineel dan voorheen. Of de cijfers de werkelijkheid weergeven, is volgens onderzoekers van het WODC discutabel. Mogelijk is er sprake van selectieve rechtshandhaving gericht op veelplegers in deze leeftijdsgroep.
Jonge zedendelinquenten in de leeftijd van 12 tot 18 jaar plegen zelden opnieuw een zedendelict: een kleine drie procent van de veroordeelde jonge zedendelinquenten vervalt in oud gedrag. Wel blijkt dat 74 procent van hen een ander recidivedelict pleegt.
De kans op recidive is moeilijk te voorspellen aan de hand van specifieke kenmerken van een delinquent. Wel kan inzicht in het IQ en invulling van de vrije tijd helpen recidive te voorkomen. Als de politie jongeren van 12 tot 18 jaar verdenkt van een nieuw zedendelict, heeft de Raad voor de Kinderbescherming vaak al grote zorg gerapporteerd over het eerder gepleegde zedendelict. De inhoud van dat rapport moet de basis zijn voor een vroege interventie en gerichte preventieve maatregelen van ouders, scholen en jeugdzorginstellingen. Zo kunnen zij na het eerste delict toekomstig seksueel grensoverschrijdend gedrag voorkomen.
Het WODC deed onderzoek naar recidive van (voormalig) tbs-gestelden die een ernstig delict pleegden en een psychische stoornis hebben. Hieruit blijkt dat uitgestroomde zedendelinquenten vaker recidiveren met een gewelddadig niet-seksueel delict dan met een seksueel delict. Wel recidiveren zedendelinquenten vaker met een zedendelict dan andere tbs’ers: 17 procent van hen pleegt binnen 18 jaar opnieuw een zedendelict. Opmerkelijk is dat het percentage recidivisten met een zeer ernstig delict onder zedendelinquenten tussen negen en achttien jaar na uitstroom nog toeneemt. Deze uitkomsten wijzen erop dat toezicht en begeleiding mogelijk ook langer dan negen jaar na uitstroom nog zinvol zijn. Tot slot concludeert het WODC dat in de periode 2004-2008 zedendelinquenten minder vaak opnieuw in de fout gaan ten opzichte van eerdere periodes.
>>AanpakkenDe maatregel om veelplegers voor twee jaar in een Inrichting voor Stelselmatige Daders te plaatsen, draagt bij aan minder criminaliteit en lagere recidive onder zeer actieve veelplegers. Dit blijkt uit onderzoek van het WODC naar de effecten van de ISD-maatregel.
De ISD-maatregel is in Nederland sinds oktober 2004 van kracht en is gericht op zeer actieve veelplegers. Het doel van de maatregel is enerzijds criminaliteitsreductie, doordat de dader tijdens het uitzitten van zijn straf geen nieuwe delicten kan plegen. Anderzijds moeten behandeling en resocialisatie zorgen voor minder recidive. Om recidive onder ZAVP’s terug te dringen, is een ISD-maatregel bij een deel van de doelgroep effectiever dan een standaardvrijheidsstraf. Overigens is recidive onder ISD’ers met 72 procent nog altijd fors.
Het opleggen van de ISD-maatregel in plaats van een standaardvrijheidsstraf voorkwam per jaar dat de ZAVP’s waren ingesloten naar schatting zes strafzaken en negen strafbare feiten.
In tegenstelling tot de ISD-maatregel, richt de PIJ-maatregel zich specifiek op minderjarigen. De PIJ-maatregel is de strafrechtelijke maatregel binnen het jeugdstrafrecht. De rechter kan met deze maatregel minderjarigen die ernstige delicten pleegden, voor behandeling in een jeugdinrichting plaatsen. Vaak lijden zij aan een gebrekkige ontwikkeling of psychische stoornis.
Uit onderzoek blijkt dat niet duidelijk is in hoeverre de PIJ-maatregel heeft bijgedragen aan gedragsverandering en (uiteindelijk) recidivevermindering. Tachtig procent van de jongeren met een PIJ-maatregel komt binnen tien jaar na uitstroom opnieuw in aanraking met justitie. De meeste jongeren recidiveren binnen twee jaar na uitstroom. Wel is de eerste recidive na de PIJ-maatregel in de meeste gevallen minder ernstig dan het delict waarvoor de maatregel is opgelegd.
Om herhalingscriminaliteit te voorkomen zijn huisvesting, inkomen en werk belangrijke basisvoorzieningen voor ex-gedetineerden. Penitentiaire Inrichtingen (PI’s) en gemeenten zetten zoveel mogelijk in op het arbeidsklaar maken van gedetineerden. Zo geeft de PI Vught gedetineerden, van wie de invrijheidsstelling in zicht komt, toestemming via internet naar een baan te zoeken en te solliciteren.Een gedetineerde kan een beroepskeuzetest invullen en via een gesloten sollicitatiesysteem kenbaar maken wie hij is en wat voor soort werk zijn voorkeur heeft. Om deze proef mogelijk te maken hebben justitie, de gemeente Eindhoven, ROC’s, het UWV en werkgevers de handen ineengeslagen.
Een ander voorbeeld is het initiatief van hulpverleningsorganisatie Innovium. Via het UWV begeleidt Innovium jonge gehandicapte gedetineerden met een Wajong-uitkering na hun detentie naar werk. In samenwerking met de Medewerker Maatschappelijke Dienstverlening start Innovium hiermee al tijdens detentie. De begeleiding bestaat uit een beroepskeuzetest, leerdoelentraining en hulp bij de zoektocht naar werk. Ook na detentie zet Innovium de begeleiding voort.
Een goede samenwerking in het Veiligheidshuis heeft een meerwaarde bij de nazorg aan ex-gedetineerden. Sinds 2009 geven partijen in het Veiligheidshuis Utrecht ernstig overlastgevende gezinnen met politie- en justitiecontacten intensieve begeleiding. Met deze aanpak Ernstig Overlastgevende Gezinnen (EOG) wil de gemeente Utrecht onder meer recidive van criminele gezinsleden terugdringen. Uit onderzoek blijkt dat, bij gezinnen waar de aanpak is afgerond, criminaliteit van de meest problematische gezinsleden daalde en overlast stopte of afnam. Wel is bij deze gezinnen sprake van hardnekkige problematiek, waarbij een kortetermijnoplossing vaak geen vruchten afwerpt.
—
Het CCV zette in samenwerking met het ministerie van Veiligheid en Justitie, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) in oktober 2012 een vragenlijst uit onder gemeenten en Penitentiaire Inrichtingen (PI’s). Het doel was te onderzoeken wat successen en knelpunten zijn van het Samenwerkingsmodel Nazorg volwassen ex-gedetineerden. Dit Samenwerkingsmodel is in 2009 opgesteld door de VNG en DJI en vormt de basis voor samenwerking tussen gemeenten en PI’s. In hoeverre zijn deze afspraken ook werkbaar in de praktijk? Hierbij ligt de nadruk op de knelpunten in de samenwerking tussen PI’s en gemeenten.
Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek:
—
>>ToekomstperspectiefHet kabinet wil dat er zoveel mogelijk gemeenten worden gevormd met 100.000 of meer inwoners. Verwacht wordt dat regionale samenwerking, ook op het gebied van nazorg, in de toekomst toeneemt. Deze samenwerking wordt al voor een gedeelte tot stand gebracht via regionaal werkende Veiligheidshuizen. De ontwikkeling van regionale samenwerking heeft echter ook invloed op de onderlinge samenwerking tussen gemeenten en PI’s.
Anno 2012 hadden gemeenten nog veel individuele beleidsvrijheid om nazorg naar eigen inzicht vorm te geven. Zo konden gemeenten bijvoorbeeld zelf beslissen of zij vaste lasten van gedetineerden doorbetaalden of PI’s bezochten om ter plekke ID-bewijzen te verstrekken. Of regionale afspraken tussen gemeenten een positieve uitwerking hebben op nazorg aan ex-gedetineerden moet de toekomst uitwijzen.
Dertig van de vijftig experts uit het deskundigenpanel zijn van mening dat regionale afspraken tussen gemeenten een positieve uitwerking hebben op nazorg aan ex-gedetineerden. Het belangrijkste voordeel dat deskundigen noemen, is dat regionale afspraken tot meer samenwerking en kennisuitwisseling kunnen leiden. Door kennisuitwisseling kunnen gemeenten van elkaar leren, bijvoorbeeld door ‘best practises’ met elkaar te delen. Een gedeeld belang is daarbij wenselijk.
“Veel gemeenten staan niet te springen om ex-gedetineerden op te vangen. Regionale samenwerking helpt om elkaar bij de les te houden en te leren van elkaars ervaringen”. – Toon van der Heijden, Parket-Generaal